Kleine of Mariakerk

Deze kerk aan de Bisschopstraat in Vollenhove is in 1423 gebouwd op de plaats van een kapel uit ongeveer 1380. Locatie: 5240'50.49"N  557'2.57"O.

De kerk in zijn huidige vorm is een bakstenen gebouw, bestaande uit een eenbeukig schip, een 5/8 gesloten koor en een vierkante toren, gebouwd in 1450 met een vierkante traptoren aan de zuidzijde. Deze torenbouw symboliseerde de H. Maria met het Kindeke.
De kerk heeft kleine spitsbogige vensters. In de zuidgevel een gedichte spitsbogige doorgang van een vroegere aanbouw. De eerste steunbeer aan het westen staat overhoeks, zo de westelijke begrenzing van de kerk aangevend vr de vergroting in 1450.
Als metselkalk heeft men destijds leem gebruikt, later zijn de stenen ingevoegd met cement. De toren bestaat uit twee sterk inspringende geledingen uit het derde kwartaal van de 15e eeuw met daarboven een achtkantige koepel.
De kerk heeft houten gewelven.

Plan uit 1402

Dat ook in vroeger tijd voorgenomen bouwplannen de nodige tijd vroegen, leert ons de totstandkoming van de O.L. Vrouwekapel, in de omgangstaal veelal de Mariakerk genoemd.
De inventaris van het oud-archief van de stad Vollenhove meldt daarover het volgende: "1402, januari 12. Ghert Borre, schout te Vollenhove, Aernt by Westen, Volkier Ruwine, Ghert Lulle, Coenraet der Witte, Ghert ten Wynckel, Gosen van Ewyne en Herman de Bodeker, schepenen van Vollenhove, oorkonden, dat voor hen in het gericht Heyne Belyenzoon en Mylle, zijne vrouw, overdroegen ten behoeve van de "tymmeringe in de ere Onser Liever Vrouwen toe Vollenhoe" hun huis en hofstede, gelegen in den "Kamp van Vollenhoe in de Bisschopsstrate". Het duurt dan nog 21 jaar, voordat tot de werkelijke stichting van de beoogde kapel wordt overgegaan. In het zoven genoemd archief wordt onder kerkelijke zaken nr. 331 vermeld: "Acte, waarbij schepenen en raad van Vollenhove een kapel ter eere der H. Maagd Maria stichten en Nicolaas de Lynge voorstellen tot vicarius bij die kapel. 1423." Dit gebeurt op 14 mei van dat jaar, waarna 23 juni goedkeuring van de stichting van de kapel door de Utrechtse bisschop Frederik III van Blankenheim wordt verkregen.

Stichting in 1423

De stichtingsbrief van 14 mei 1423, aanwezig in het Stadsarchief, is in zijn geheel opgenomen in de Bijdragen Geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht, deel 19, blz. 448. Toen werd door Schepenen en Raad alsmede de burgers van Vollenhove dus verklaard dat zij met toestemming van de pastoor der kerspelkerk aldaar hebben gesticht uit hun goederen en aalmoezen een nieuwe kapel en een vicarie of altaar in die kapel staande en zijn aan dezen de onderbeschreven goederen toegewezen. Uit de giften van de bevolking hiervoor zal ik iets vermelden. Johannes Mulert schenkt een geldbedrag uit zijn goederen gelegen "bij Westen", Jutta van Oestenwolde een schepel gerst uit haar goederen achter den Camp dicht bij de weg(wijk ?) die voert naar "an de Benthet", Wilhelmus van Ede twee akkers buiten de kamp Vollenhove bij de windmolen van onze Heer van Utrecht, die zich uitstrekken "an den goer", Dydaens de timmerman en vrouw een huis en erf in de stad bij de Oosterpoort tussen de Bisschops- en Nieuwstraat (= Kerkstraat), Nicolaas Ottens en vrouw een geldbedrag uit een huis en erf buiten de grens of gracht van de stad bij "Benthet" tussen de woonsteden van Herman van Cuynre en Sweder van der Eze. Bisschop Fredericus keurt op 23 juni 1423 deze stichting goed en benoemt tot eerste bezitter van deze kapellanie Ludolphus de Lynge, klerk van het bisdom Osnabruggen.

Bouw van de toren in 1450

Over de bouw van de toren vr de kapel, die aanvankelijk los stond maar later daarmee is verbonden, is ook het n en ander bekend. In 1450 is men met het optrekken ervan begonnen, acht jaar later was men met de afwerking bezig. Dit laatste blijkt weer uit het oud-archief, waarin op 29 november 1458 staat vermeld: "Burgemeesters, schepenen en raad van Vollenhoe, oud en nieuw, oorkonden, dat voor hen Johan Barchorst, Herman Wissene en Wolter Roede Beerntsen, kerkmeesters en timmermeesters van Onser Liever Vrouwen kapel, verklaren, dat zij ter voltooiing der werkzaamheden aan den toren dier kapel van heer Gheert Hobing, priester, ontvangen hebben 52 Rijnsche gulden, waarvoor zij verklaren van hem over te nemen de betaling van eene jaarrente, groot 2 1/2 Rijnsche gulden 1 oort enz." In oorsprong bestond deze toren uit drie geledingen, afgedekt door een lage spits.

Met betrekking tot de klokken kan men zich afvragen, of er bij de voltooiing al n of meer klokken in de toren aanwezig waren. Vermoedelijk wel, want er bevindt zich een klokkenstoel waar plaats is voor twee zware klokken. De toenmalige gieter en de leverancier zijn echter onbekend. In die tijd woonde en werkte er in Zwolle ene Jan Ghisberts Potghyter. Hij leverde destijds mogelijk aan de kerk in Wilsum, aan Borne en aan het kasteel Altena in Beckum.  Aan de andere kant is het zo, dat Vollenhove een sterke band had met de stad Utrecht: de achtereenvolgende bisschoppen van de Domstad verbleven vaak op het Slot op De Voorst. Mocht Utrecht de plaats zijn waar de klokken zijn gegoten dan kan het bijna niet anders, of zij zijn vervaardigd door n van de leden van het gietersgeslacht Butendiic, dat toentertijd daar zijn gieterij had.

De kerk door de eeuwen heen

Bisschop David van Bourgondi vergunde op 20 februari 1461 aan Burgemeesters, Schepenen en Raad als collators der O.L. Vrouwenkapel om kleine renten te verkopen en beter te beleggen, bekrachtigt de reeds met het oog op de verbouwing van de kapel en wheeme (pastorie) gedane tegeldemakingen en staat hun toe het achterdeel der kapel af te breken en ze tegen de toren te herbouwen of zoals het charter luidt, dat zij de kapel "after sullen mogen breken ende aen den toern tymmeren".

Tot de reformatie in 1580 was de kerk gewijd aan Onze Lieve Vrouwe (H. Maria). Zij had kort voor de hervorming drie vicarin, namelijk van de H. Maagd Maria, van de H. Petrus en Paulus en van de H. Andreas en Thomas. Van de laatste waren collator Andreas Stratien c.s. Vandaar ook wel genoemd Stratiens vicarie.

Op 6 oktober 1625 werd door Roelof Sloet en Roelof van Isselmuden een kerkenraadszegel aan de gemeente gegeven. Dit werd uit een kastje in de Kleine kerk gestolen, waarop de landdrost Harm Sloet tot Tweenijenhuizen de kerk op 30 mei 1717 met een nieuw zegel vereerde.

In 1632 werd het herstel van de kerk aanbesteed. Het werk bestond uit "de zolder in de school hoger te leggen. Verder kerk, school en gerfkamer, nadat de muren dicht zijn, met kalk bewerpen en witten en de pilaren (steunberen) om de kerk vierkant en in hun fatsoen brengen. In de toren en gerfkamer een deur met kozijn maken en in de kerk een zolder maken, waarvoor 22 grenen balken te gebruiken. In de ingang in de kerk in de steeg een portaal maken met twee deuren en bij de trap in de toren een eiken kozijn met deur om op de zolder te komen. Preekstoel, stoelen en banken tijdelijk uit de kerk brengen, evenals de borstwering, palissaden en de beddensteden. Voor de andere kerkdeur van binnen een portaal met een deur te maken. De pannen op de kerk aanstrijken en de stenen van de toren invoegen". Dit werk werd door Herman Jacobs uitgevoerd.

In 1660 werd een galerij in deze kerk gemaakt aan de kant van de toren, dus de westzijde. Verder 5 banken, de achterste hoger dan de voorste en een wenteltrap om op de galerij te komen. De timmerman Jan Willems voerde dit werk uit.

Iets over de Weeme of pastorie. In een register van huisgezinnen te Vollenhove van 1748 staat deze volgorde: in de Bentstraat de bewoners van de havezate Westerholt en dan volgt in de Groenestraat die van Oldruitenborg, waarop volgt de predikant J. H. Bruinings en vrouw. In de onderhandse akte van verkoop van 7 september 1800, geregistreerd voor het Gerichte van Vollenhove 29 april 1805, van de havezate Nijerwal staat in de eerste akte, dat mede verkocht werd, dat gedeelte van de Weeme door wijlen des verkopers vader aangekocht. Op dit detail van de plattegrond van het huidige landgoed Oldruitenborgh is het stuk met X aangeduid. Het lag naast de Cloosterhorst (rood), recht tegenover de Kerksteeg. De ingang van Oldruitenborgh lag toen verderop.

Voor verlichting gebruikte men vroeger kaarsen. Voorheen werden de kosten daarvan betaald uit de Diaconiekas, maar later uit de kas der geestelijkheid.
De stand der kas van de laatste liet dat echter niet meer toe, zodat in 1723 de Diaconie er weer mee werd belast. In 1779 werd het aandeel van de levering der kaarsen door de diaconie voor de wekelijkse preekbeurten en catechisaties voor drie jaren weer door de Geestelijkheid betaald, verlengd in 1782. De verlichting liet echter te wensen over, zodat de Volle Stoel op 8 november 1787 besloot een proef te nemen met meer kaarsen op de kronen en indien dit nog niet voldoende was, armblakers te laten maken en aan de muren te hangen. De kerkenraad liet op 10 oktober 1847 lamplicht in de kerk aanbrengen. De kerkvoogdij besloot op 30 december 1848 de kronen uit de kerk te verkopen.

Evenals voor de Grote Kerk werden ook voor deze kerk bijbels aangeschaft bij de invoering van de nieuwe psalmberijming op 4 december 1774.

In 1781 werd het meubilair in deze kerk vernieuwd en de zolder afgewerkt. Op 29 december 1784 werd door de Volle Stoel de kerk in gebruik gegeven aan hen, die zich in de Wapenhandel (hantering der wapenen) willen oefenen (de schutterij dus), maar op 8 september 1785 werd ze weer voor de Godsdienstoefeningen ingericht.
Het college van de Volle Stoel besloot op 8 september 1785, daar de preekstoel oud was, van de Diaconie te kopen de preekstoel die in de Beulake gestaan had en te plaatsen op de oude plek en de capelle of gerfkamer omdat die bouwvallig was af te breken en de muur weer in behoorlijke staat te brengen. Die preekstoel is gemaakt in de 17e eeuw.
Tot verplaatsing van de preekstoel enz. werd op 9 november van dat jaar besloten.
Op 21 november 1786 werd door verplaatsing van de preekstoel een andere schikking van de banken nodig. Aan de zijde van de hof van de havezate Marxveld zullen de Heren van de Ridderschap in de twee dichte banken of gestoelten met de drie daarvoor staande open banken plaats nemen. Twee dergelijke banken daar tegenover staande voor de magistraat, scholtus van Vollenhove en rentmeester der Geestelijkheid, de leden van de gezworen gemeente en de derde bank voor de vrouwen van de predikanten "en voor andere ordentelijke vrouwen en juffrouwen alhier wonende". Er waren banken voor de mannen en ook voor de vrouwen. Voorts werd besloten in het volgende voorjaar de nieuwe banken met een "convenabele couleur" te doen verven, de koperen kroon, die vroeger in de Beulaker kerk hing en verder koperwerk van de Diaconie over te nemen.

De rentmeester der geestelijkheid werd op 28 februari 1791 gemachtigd het pad naar de kerk te laten bestraten. Voor de dames van de Ridderschap en die van de magistraat werden banken bijgemaakt en de bestaande verbreed. Is dit laatste omdat de hoepelrokken in de mode kwamen ?

In 1794 werd de toren hersteld. Uit de stukken zou opgemaakt kunnen worden, dat toen de oorspronkelijke klokken uit 1458 in deze Franse tijd (1784) of daarna (1817?) zijn omgesmolten tot kanonnen, bedoeld voor het waarschuwen van de bevolking bij hoog water.

Verbouwing van de toren in 1823

In 1823 wordt de lage spits van de toren verwijderd en vervangen door een stenen bovenbouw, bekroond door een open koepeltje van hout. Deze vorm van beindiging werd in de l7de, l8de en het begin van de l9de eeuw herhaaldelijk toegepast (Lebuinustoren Deventer, 1613; Eusebiustoren Arnhem, 1650/1651 -niet meer bestaand-; Nijkerk, 1774-1776; Meppel 1827). De stenen bovenbouw in Vollenhove is aan elke zijde met twee spitsbogige galmgaten doorbroken. Boven de galmgaten werden tegen het midden der gevels wijzerplaten aangebracht.
In die tijd was een slagklok met wijzerplaten een onmisbaar element in de samenleving. De toren van de Nicolaaskerk is laag en staat bovendien in het westelijk stadsdeel. De O.L. Vrouwekerk en haar toren liggen centraal. Door deze te verhogen en van wijzerplaten te voorzien bood men iedereen de mogelijkheid te zien, hoe laat het is. Uit het stadsarchief blijkt, dat het stadsbestuur op 8 oktober 1822 vergaderd heeft over het herstel van het uurwerk in de Mariatoren (n van de klokken van deze toren moet dus in vroeger tijd de heel- en halfuurslag hebben aangegeven). Misschien is men toen of kort daarna op de idee gekomen deze toren te verhogen, want op 27 november 1822 wordt timmerman Seidel opgedragen een bestek te maken voor de verhoging. Een lid van het stadsbestuur doet daarbij het voorstel om - ter dekking van de kosten - n van de klokken uit de Nicolaastoren te verkopen. Het besluit daartoe wordt op 10 februari 1823 genomen. Dat bracht 1600 gulden op. In de zomer van 1823 zal men met het optrekken van de bovenbouw zijn begonnen, want boven de deur naar de huidige klokkenkamer bevindt zich een steen, waarop staat: De eerste steen gelegd - door Freule - Isabelle Antoinette Sloet van Oldruitenborgh - 2 Aug.s 1823.

En en ander ging met enige plechtigheid gepaard. Na het gereedkomen van de bovenbouw moet het uurwerk uit de Nicolaastoren in dit nieuwe torengedeelte zijn geplaatst: in de vergadering van 28 november 1823 is f 40,- uitgegeven voor het overbrengen hiervan. Toen is ook de klok uit 1482 van Geert I van Wou uit de Grote naar de Kleine Toren overgebracht, waar zij in de koepel werd opgehangen en de functie van luidklok kreeg.

In 1862 scheurt deze klok en wordt zij vervangen door een nieuwe, die door Petit & Fritsen te Aarle-Rixtel is gegoten. Hierover is iets te vinden in de notulen van 17 juli 1862 in het archief van de kerkvoogdij van de Ned. Herv. gemeente. De gescheurde klok wordt dan bij Petit & Fritsen ingeruild. Ten aanzien van de nieuwe wordt verlangd, dat zij hetzelfde opschrift als de oude zal krijgen. In het register van geleverde klokken geeft de firma dit oude opschrift echter niet aan; wl wordt vermeld: VERGOTEN IN 1862 DOOR PETIT & FRITSEN TE AARLERIKSTEL E EKKER PRES KERKV D A VAN SMIRREN SECR:. Volgens het register is de klok, met een gewicht van 285 Nederlandse ponden (haar voorgangster woog 268 ponden), op 10 november 1862 verzonden; haar registratienummer bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg is 8 - A 99.

Tot begin 1943 heeft zij haar functie als luidklok vervuld; toen werd zij door de bezetter gevorderd, en keerde niet terug. Uit de klokkeninventarisatie van 1942 / 1943 blijkt, dat het opschrift van haar voorgangster uit 1482 in 1862 inderdaad is aangebracht. Na de bevrijding in 1945 heeft het even geduurd, eer de in 1943 weggevoerde klok werd vervangen. Pas in 1960 kwam er een nieuwe, die door Van Bergen in Heiligerlee werd gegoten. Haar opschrift (tussen touwranden boven aan de klok) luidt: VAN BERGEN 19 HEILIGERLEE 60. Daaronder staat op de leest in twee regels: IN 1958 VERVING IK DE KLOK VAN 1482 DIE IN 1943 DOOR DE DUITSERS WERD GEROOFD. En daaronder: DEO GRATIAS (=Gode zij dank).
Dit opschrift is in tweerlei opzicht merkwaardig: de voorgaande klok stamde niet uit 1482, maar uit 1862, en de huidige klok draagt het jaartal 1960, terwijl zij in 1958 werd gegoten. Mogelijk is zij in 1958 gegoten en pas in 1960 in de toren opgehangen, in verband met de restauratie van kerk en toren (1961, een eerdere restauratie vond plaats in 1913). De gegevens van de Van Bergenklok zijn: gewicht 256 kg., diameter 76 cm., toonhoogte c2, functie luidklok.

De grote klok

Boven in de toren hangen twee klokken. De grote klok dateert uit 1509. Deze is in Kampen gegoten door Johannes Gerhardus de Wou,  haar diameter is137,1 cm, haar gewicht bedraagt  1500 kg enhaar toon is  d1. De klok is evenals de andere klok die in 1823 werd overgebracht uit de toren bij de Grote Kerk gewijd aan Jhesus Maria (notulen Kerkvoogden 17 juli 1862). Tussen een bovenrand van staande en een onderrand van hangende lelies bevindt zich het opschrift: "ihesus . maria . iohannes . gherardus . de . wou . me . fecit . anno . domini . m.ccccc.ix". De klok moet zeker eens gekeerd zijn, dan wel is zij bij het overbrengen van de Nicolaas- naar de O.L. Vrouwetoren anders opgehangen: de klepel raakt de binnenwand op een andere plaats. De klok kan thans niet meer geluid worden, hoewel zij een goede luid-as en een goede klepel heeft.

Het gebeurt meer dan eens, dat een schrijver zich vergist en dat volgende schrijvers deze fout / vergissing zonder enige vorm van controle overnemen. Dit geldt ook voor deze klok. In de in 1870 verschenen uitgave van de Vereniging tot Beoefening van Overijssels Recht en Geschiedenis wordt vermeld, dat zij in 1862 is hergoten. Deze vermelding wordt zonder meer overgenomen door J. Westra van Holthe in zijn boek over Vollenhove en zijn havezaten, en door dr. C. N. Fehrmann in zijn dissertatie van 1966. In september 1984 konden de heren Van der Hurk, Kuipers en Rung evenwel vaststellen, dat de klok niet hergoten is en dat het bestaande exemplaar het oorspronkelijke is.

Luidklokkenadviseur Jan Kuipers maakt de volgende aantekening bij de zware dubbele klokkenstoel in deze toren: de klokkenstoelconstructie is zeer twijfelachtig en kan het luiden van de monumentale klok niet verdragen zonder de toren te runeren. Toch is het geluid van de klok elk half uur te horen door het hamermechanisme dat de klok 'slaat'. Zaterdag 12 december 2009 is feestelijk herdacht dat deze klok zich al 500 jaar laat horen.

De moderne tijd

De Kanselbijbel, afkomstig van de familie L. van Gulik, een legaat in 1865, is gedrukt te Dordrecht door Hendrik-Jacob en Pieter Keur in 1702.

Over het herstel van de kerk in 1911 wordt iets verteld in het weekblad "Eigen Haard" van 1912. De herstelling werd uitgevoerd door de architect W. te Riel Gzn. te Deventer. Het bleek toen dat de kerk in de eerste aanvang een kleine kapel is geweest. De fraaie koperen lichtkronen zijn volgens een ingewijde in vroegere tijden te gelde gemaakt.

In de laatste oorlog hadden de Duitsers een wachtpost op de toren. Er woei wel eens etenswaar van hen naar beneden, waaraan de hond van Marxveld zich tegoed deed.

Na 1968 werd de kolenkachel vervangen door een heteluchtgaskachel.
De kerk was tot 1976 als Kleine Kerk in gebruik bij de Hervormde Gemeente te Vollenhove. In 1978 heeft de gemeente Brederwiede de toren aangekocht van de Hervormde Gemeente te Vollenhove. Dat leidde in december tot het beschikbaarstellen van geld voor het repareren van het uurwerk. Het uurwerk heeft dan al enkele jaren stilgestaan op vijf voor zeven, het slagwerk was ook al jaren niet meer gehoord.

In 1981 is de kerk aangekocht door de Gereformeerde Kerk te Vollenhove. De aanwezige banken, die in slechte staat verkeerden, zijn vervangen door eikenhouten banken, afkomstig uit de Grote Kerk te Steenwijk. De onder de banken aanwezige rode plavuizen zijn in het gangpad en rond de preekstoel gelegd. Er zijn drie lichtkronen opgehangen. Er is CV aangelegd met vloerverwarming,  tegen de muren zijn radiatoren geplaatst.

Van de toren klinkt van tijd tot tijd muziek door toedoen van Vollenhoofs Fanfare, zoals op Koninginnedag en op Kerstavond.

De kerk is steeds op de Open Monumentendag voor het publiek te bezichtigen.

Het orgel

Het eerste orgel werd in de kerk geplaatst in 1849. De oud-burgemeester G. J. Jacobson schonk een orgeltje voor deze kerk dat hij aanmerkelijk heeft laten vergroten. Bij de restauratie in 1911 is dat orgel vervangen door een zgn. Garrelsorgel, afkomstig uit een kerk te Den Haag. In 1979 is dit orgel door de Hervormde Gemeente te Vollenhove terugverkocht aan diezelfde kerk. De nieuwe gebruiker van de kerk, de Gereformeerde Kerk, heeft het eigen orgel uit 1962 overgebracht van de kerk in de Kerkstraat, ingebouwd achter het oude originele front.  Dit Westfaalse orgelfront werd waarschijnlijk ooit gebouwd door de orgelbouwerfamilie Heilman. Tot 1812 stond het orgelfront in de St. Plechelmuskerk in Oldenzaal, daarna kwam het front in de Rooms Katholieke kerk in Denekamp terecht, waarna het in 1911 naar de Mariakerk in Vollenhove verhuisde. Het huidige orgel, dat achter dit orgelfront staat, heeft als bouwjaar 1962, en is gemaakt door de orgelmaker Roelof Kamp uit Zwolle. Een aantal registers van dit orgel bestaat uit 19e eeuws pijpwerk. Dit orgel is in 1981 door de firma Kaat en Tijhuis overgebracht van de kerk op de hoek Kerkstraat - Van Baak Steeg, nu Geref. Vrijgemaakt, naar de Mariakerk. De frontpijpen zijn bij deze gelegenheid in het Westfaalse front geplaatst, ook werd het orgel nog uitgebreid met een Prestant 8'. Plannen om een groter maar wel historisch orgel na restauratie in gebruik te nemen, zijn om financile redenen gestrand.  Omdat het orgel nu zo versleten is dat restauratie geen optie is, wordt op basis van het oude pijpwerk een compleet nieuw orgel gebouwd door de firma Nijsse en Zonen uit Oud-Sabbinge. Dat krijgt twee klavieren en achttien registers. Er worden tijdens de 'Open Monumentendagen' vrij toegankelijke orgelconcerten gegeven. Zie hiervoor ook www.pknvollenhove.nl

Het poortje aan de Bisschopstraat voor de kerk

Tot aan de jaren 1970 stond er aan de Bisschopstraat een poortje, en een gebouwtje voor zondagschool, vergaderingen en koorrepetities.
In het register voor ontvangen gelden voor herstel der straten in 1772 (fol. 40) werd van de Geestelijkheid ontvangen f 5.7.14 voor bestrating van 143 voet en 90 3/4 duim in de Achterstraat voor 't poortje van de Kleine Kerk (de Bisschopstraat heette ook wel Achterstraat).
Het volgende zal ook wel op dat poortje slaan. De Volle Stoel besloot op 27 mei 1807 de poort of ingang van de kleine kerk te herstellen, daar te vrezen was dat het bovenste deel zou instorten.

Het fraaie poortje is in de jaren 1970, weer in bouwvallige staat, verhuisd naar het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen. Omdat een boerderij, het oude zondagschooltje en enkele huizen werden afgebroken is toen het huidige plein / parkeerterrein tussen de kerk en de straat ontstaan.

Stenen in de Groenestraat

In de tuinmuur links van de ingang van Oldruitenborgh aan de Groenestraat zijn twee stenen ingemetseld. Op n daarvan een uitgekapt wapen met als helmteken een vlucht. Het geslacht van der Marck, dat op Marxveld heeft gewoond, heeft een vlucht als helmteken. Het is dus niet uitgesloten, dat op deze steen het wapen van der Marck voorkwam. De tweede steen is geen wapenspreuk, zoals verondersteld wordt. Vraagt men een Vollenhovenaar welke betekenis die stenen hebben dan krijgt men ten antwoord: "0, daor is de duvel deur esprungen".
Op de tweede steen staat: Eccli 35 Bono Animo gloria redde de. De onderwijzer J. Th. Dragt, toen te Lemmer, gaf in de Meppeler courant 1912, tiende vervolg, deze uitleg: In een der Apocrieve boeken, dat van Jesus Sirach, staat in het Latijn: Eeclesiasticus 35 (vers 10 van de Vulgata) Bono animo gloriam redde Deo, of te wel: In Jesus Sirach 35 (vers 8a Statenvertaling uit het Grieks) verheerlijk den Heere met een goed oog". De Latijnse Vulgata leest: Verheerlijk den Heere met een goede ziel, of met een goed hart of gemoed, of: in een goede stemming des gemoeds. Volgens Westra van Holte zijn beide stenen uit de Mariakerk afkomstig en heeft de tweede wellicht boven een ingang gezeten.

www.henkvanheerde.nl/vollenhove